Op deze pagina vind je oefeningen voor bovenbouwleerlingen, waarbij alle vormen van werkwoorden door elkaar gevraagd worden. Een oefening bestaat uit 10 zinnen. Maak een oefening en kijk daarna voor jezelf na. Reken 1 fout per punt; dit is ook de normering die wordt gehanteerd bij toetsen op school. Het is goed om bij elke zin na te gaan of je kunt uitleggen, hoe je tot de juiste spelling komt. Kun je dit uitleggen aan een ander?

 

Onderaan de oefeningen vind je nog een bestand met 30 extra zinnen om mee te oefenen en een antwoordenblad met alle antwoorden.


Oefening 1

1. Als ik hem was (besteden v.t.) ____________ ik mijn geld beter.

2. De (aanbranden bijv.nw.) _____________ pap was niet te eten.

3. Wij (vinden v.t.) _____________ dat Ali aardig (opknappen v.t.) ___________.

4. De jongen (hoesten v.t.) __________ veel te veel.

5. De vieze lucht (verspreiden v.t.) __________ zich over de stad.

6. De minister was (verhinderen volt.dw.) ___________ de vergadering bij te wonen.

7. Ik (korten v.t.) ___________ de tijd met een kruiswoordpuzzel.

8. De secretaresse (verbinden v.t.) ___________ me met de directeur.

9. Onze poes (drinken t.t.) _________ graag (verdunnen bijv.nw.) _________ melk.

10. Als je goed (beschouwen t.t.) ___________, is hij verkeerd bezig.

 


Oefening 2

1. Dit eten (zijn v.t.) ________ te sterk (kruiden volt.dw.) _____________.

2. Vader (maken v.t.) ________ zijn (verstoppen bijv.nw.) __________ pijp schoon.

3. De (aanvaarden bijv.nw.) bouwopdracht is nog niet (uitvoeren volt.dw.) ________.

4. De verzekering (vergoeden v.t.) de (aanrichten bijv.nw.) _________ schade.

5. De (bevriezen bijv.nw.) _________ leiding (worden v.t.) _______ door de loodgieter (ontdooien volt.dw.) ________.

6. De bommen (verwoesten v.t.) _________ de hele streek.

7. De hond (redden t.t.) ________ het te water (raken bijv.nw.) _________ meisje.

8. Ik (branden t.t.) ________ van verlangen om op reis te gaan.

9. De (poten bijv.nw.) _________ aardappelen zijn allemaal (bevriezen volt.dw.) ________.

10. Wie (durven t.t.) _________ durft over deze sloot te springen?

 


Oefening 3

1. Deze man (spelden t.t.) _______ me steeds iets op de mouw.

2. Hoe (heten v.t.) _________ het meisje ook weer, dat zo mooi (spelen v.t.) _______.

3. Het virus (besmetten v.t.) __________ veel mensen.

4. (Denken t.t.) _________ u, dat de zieke spoedig (herstellen volt.dw.) ________ zal zijn?

5. Tussen het puin van de (instorten volt.dw.) _______ huizen (zoeken v.t.) ________ men naar slachtoffers.

6. Het ijs (kraken v.t.) _________ en (barsten v.t.) __________ onder onze voeten.

7. De verzekering (vergoeden t.t.) _________ al de (aanrichten bijv.nw.) ________ schade.

8. In onze tuin (broeden t.t.) _________ een lijster.

9. Ik (begrijpen t.t.) _________ niet hoe jij al die telefoonnummers (onthouden t.t.) _______.

10. De kinderen (watertanden v.t.) _________ bij het zien van zoveel lekkers.

 


Oefening 4

1. Het (lichten v.t.) ________ al de hele avond, maar de bui (drijven v.t.) ________.

2. Het (ontvolken bijv.nw.) _______ gebied (zien v.t.) _______ er triest uit.

3. Toen we ons verslapen (hebben v.t.) _______, (wassen v.t.) ________ we ons snel en (aankleden v.t.) __________ we ons vlug ____.

4. Onze buren (twisten t.t.) __________ over de erfscheiding.

5. (Verheugen t.t.) ________ jij je nu al op de vakantie?

6. (Vermoeden t.t.) _________ je dat hij vandaag zal komen?

7.  Toen het vogeltje uit het nest (vallen v.t.) ______, (spreiden v.t.) _______ het zijn vleugels en (landen v.t.) ________ op het gras.

8. (Verbieden t.t.) _______ je vader je wel eens iets?

9. (Bloeien t.t.) ________ deze bloem alleen in het voorjaar?

10. Vroeger (lusten v.t.) ________ ik geen witlof, maar nu (zijn t.t.) ________ ik er dol op.

 


Oefening 5

1. Het (misten v.t.) _________ zo erg, dat de vliegtuigen niet (kunnen v.t.) _________ vertrekken.

2. Wij (missen v.t.) ___________ daar de aansluiting.

3. (Fluiten teg.dw.) __________ (fietsen v.t.) _________ Bram naar school.

4. Het (restaureren bijv.nw.) __________ huis (zien v.t.) __________ er prachtig uit.

5. De rechter (vonnissen t.t.) _________ conform de eis.

6. De directeur (ondertekenen t.t.) _________ het diploma.

7. De (omhakken bijv.nw.) ___________ bomen (worden v.t.) door de auto vervoerd.

8. De man (ergeren t.t.) __________ zich steeds aan zijn buren.

9. Opa en oma (zijn v.t.) ________ erg blij met de (vergroten bijv.nw.) foto van hun kleinkind.

10. De fotograaf (vergroten v.t.) _________ de foto van de kleinkinderen.

 


Oefening 6

1. (Roepen teg.dw.) ________ en (schreeuwen teg.dw.) ___________ (verlaten v.t.) _________ de man het huis.

2. De kok (zouten v.t.) ________ de maaltijd precies goed.

3. De kinderen (zijn v.t.) __________ door de kou totaal (verkleumen volt.dw.) __________.

4. De kinderen (kijken v.t.) _________ toe hoe moeder de taart (verdelen v.t.) __________.

5. De klimop (overwoekeren t.t.) _________ de ruïne. 

6. De (verzilveren bijv.nw.) __________ schaal (worden v.t.) _________ door moeder (oppoetsen volt.dw.) ___________.

7. Dit huis (zijn v.t.) ______ door de brand totaal (vernielen volt.dw.) __________.

8. Ons dorp (uitbreiden t.t.) ___________ zich geweldig ______.

9. De spion (bespieden v.t.) __________ het vijandelijke leger.

10. Dit meisje (zijn t.t.) ________ niet (interesseren volt.dw.) _________ in wiskunde.

 


Maak een Gratis Website met JouwWeb